Meditação de 11 de Agosto de 2017
Rev. Josemar da Silva Alves Bonho

Jezus wandelt op de zee

JEZUS WANDELT OP DE ZEE

DE zon was ondergegaan. De nacht was gekomen. En de duisternis had zich uitgebreid over de aarde.

Op de donkere helling van een berg aan de Oostzijde van het meer van Galilea lag een eenzame Man geknield tus- sen de rotsen. Het was Jezus. Hij bad. De sterren schitterden boven Hem en spiegelden zich in het donkere meer. De i uren vervlogen, maar Hij scheen het niet te merken.

Toen stak de wind op en rumoerde over de bergen. Hij nam toe in kracht en stortte zich van boven af op het meer. Hij zweepte de golven op tot bergen van water, met toppen van schuim. Het werd noodweer. Maar Hij, daar op de berghelling, scheen het niet te merken.

Als Jezus bad, was hij heel dicht bij zijn Vader; dan scheen het, alsof zijn ziel in de hemel was opgenomen.

Maar eindelijk stond Hij op, versterkt en bemoedigd. Hij stond in een loeiende storm, in een dichte duisternis en zag om zich heen. Voor zijn ogen was niets verborgen. Hij zag de zee en de schuimende golven en ver weg, midden op het meer, een scheepje. In dat scheepje waren twaalf mannen, die zich inspanden om tegen de wind in te roeien, die zich aftobden om voort te komen. De duisternis bedekte hen. Ze konden elkander nauwelijks zien. Maar voor Hem was de nacht licht als de dag en Hij zag zelfs de angst in hun ogen.

Hij daalde het donkere bergpad af en kwam aan het strand. Zijn ogen waren op het scheepje gericht. Zijn hart was bij zijn discipelen. Wie zou het verhin- deren, als Hij hun te hulp wilde komen? Zijn voeten droegen Hem het strand op, recht op de bruisende golven aan. Die bogen gehoorzaam de schuimende koppen voor hun Heer en Meester; ze wierpen zich voor Hem neer en droegen Hem. Over die golven, door de duistere stormnacht, wandelde Jezus recht op het schip aan.

TOEN de discipelen de vorige avond op het bevel van hun Meester in het schip waren gegaan en met tegenzin van wal waren gestoken, waren zij dicht bij de kust heen en weer blijven varen, want zij dachten, dat Jezus zich nog bij hen zou voegen. Maar toen het donker was geworden, was Hij nog niet gekomen.

Hun mismoedigheid werd er nog groter door. Zij hadden het zo goed met hun Meester voor, ze hadden Hem en zichzelf een schitterende toekomst willen bereiden en voor eer en roem willen zorgen. Maar Hij had niet gewild. Vertrouwde Hij hen niet? ... En had Hij hen nu ook nog vergeten ?...

Duister en ruw was de avond.

De wind stak plotseling op, een sterke tegenwind, die de golven met kracht uiteen deed spatten tegen de boeg. Maar zij moesten naar de overzijde, want de Meester had het bevolen, en zij spanden al hun krachten in, maar kwamen slecht vooruit. Na meer dan een halve nacht van roeien en zwoegen, waren zij nog maar vijf of zes kilometer verder gekomen. Om een uur of drie in de nacht, bij het begin van de vierde nachtwake, waren zij nog midden op zee. Zouden ze wel ooit hun doel bereiken? ... Ze dachten aan die vorige nacht, toen het óók zo erg was met de storm. Toen hadden ze zich bang gemaakt voor niets. Want toen was Jezus bij hen, Hij lag rustig te slapen in het achterschip en toen ze Hem wekten, had Hij met een enkel machtig woord de wind en de zee gekalmeerd. Maar nu was zijn plaats leeg. Nu had Hijhen alleen gelaten en waren ze overgeleverd aan het geweld van de storm, aan de boze duistere machten, die tegen hen woedden .. .

En zie, wat was dat? Een witte gedaante, die over het donkere water het schip voorbij zweefde? Een mannengestalte, die wandelde op de golven?

Ze schrokken vreselijk en schreeuwden het uit.

„Een spook! ... Het is een spook!"

Maar een vriendelijke stem riep: „Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd!"

Die goede bekende stem stilde in een ogenblik hun angst.

„De Meester!" stamelden ze. „De Meester is daar!" ... Ze dachten aan geen wind en geen golven meer. De Meester was bij hen! Had hij hen toch niet vergeten? Kwam Hij nu dwars over het water naar hen toe? Wie was Hij dan, dat Hem dat mogelijk was ?...

Simon Petrus was de eerste, die spreken kon na die grote verbazing. Een juichende vreugde steeg in hem op, een vurige liefde voor de Meester, die hen niet alleen gelaten had. Hij wilde bij Hem zijn, hij had zo naar Hem verlangd! Petrus kon niet langer wachten, hij moest naar zijn Meester toe.

„Here," riep hij, „als Gij het zijt, beveel mij dan tot U te komen over het water ..."

Jezus zei: „Kom!"

Eén woord was het slechts. Maar voor Petrus' geloof, dat plotseling groot en sterk in hem opstond, was het genoeg. Zonder vrees, zonder nadenken, klom hij over boord, de schitterende ogen op Jezus gericht. Vast en zonder aarzelen zette hij zijn eerste stappen op het water. Het water droeg hem! Jezus was Heer over de golven. Petrus, door zijn geloof in Hem, was het ook.

Het drong ineens tot hem door, hoe wonderlijk dat eigenlijk was. Hij had er eerst niet aan gedacht, hij had alleen aan Jezus gedacht. Nu keek hij verbaasd omlaag naar die zwarte levende vloer onder zijn voeten. Droeg die hem werkelijk? .. . Hoor, hoe de wind waaide! Zie, hoe hij de golven opzweepte! Bergen van water rolden op Petrus aan. Petrus vergat er de Meester door. Hij zag nu alleen zichzelf en het water, hij zag alleen het gevaar.

En plotseling, even snel als straks zijn geloof, steeg nu de angst in hem op en ineens zonk hij weg in de diepte.

„Here, red mij!" schreeuwde Petrus en strekte zijn handen naar Jezus uit.

Toen voelde hij ook reeds de hand van de Meester, die hem aangreep en optrok en hij hoorde Hem vragen: „Kleingelovige, waarom zijt gij gaan twijfelen?"

Ze liepen hand aan hand naar het schip en klommen er in. De wind ging liggen. De zee werd vlak als een spiegel.

Toen de discipelen dit nieuwe wonder zagen, wierpen ze zich voor Jezus neer en stamelden: „Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!"

En terwijl de eerste glans van het morgenrood de toppen der bergen kleurde, meerden zij veilig hun schip aan de oever.



Anne de Vries. Groot vertelboek voor de bijbelse geschiedenis. II. Hiet Nieuwe Testament. J. H. Kok n.v. Kampen. 1954. p. 94-96.