Meditação de 20 de Fevereiro de 2018
IER Itararé

Jejuar

É conhecido que em certas denominações da igreja cristã o jejum é (foi) obrigatório durante certos períodos. Notadamente da tradição católica romana conhecemos o uso do jejum na Quarta-feira de Cinzas e Sexta-feira Santa, eventualmente durante toda a quaresma e eventualmente também cada sexta-feira. Fala por si que queremos dar atenção a isto agora.

Jesus explica sua posição diante do jejum em duas parábolas curtas (Mat. 9.16, 17). Numa roupa velha não se costura uma pano novo para consertar esta peça. Aí o pano novo encolherá e aumentará o rasgo no pano velho. E – comparável – vinho novo não se coloca em vasilhas de couro velhas. Este couro velho não é flexível o suficiente para acomodar o processo de fermentação. Vinho novo deve ser colocado em vasilhas de couro novo; que pode se expandir quando o vinho fermentar. Assim vinho e vasilhas serão mantidos.

Com isto Jesus diz que Ele não pode ser usado como um pano novo para “remendar” o velho sistema de relacionamento com Deus, onde muitos costumes de penitência e outros se tornaram prescrições. Jesus não é um pano de remendo novo. O que Jesus faz é tão novo, que pede uma maneira totalmente nova de orar e viver com Deus. Cristo se deu integralmente pela sua noiva. Quem percebe o que significa este novo e mesmo assim quer derramar isto em fôrmas velhas, perderá tudo.

Isto tem importância para o jejum. Jesus não aboliu o jejum, mas o deu um significado diferente. Quando o Noivo não estiver presente, poderá haver lugar para o jejum (Mat. 9.15). Mas fique consciente que continua se tratando de vinho novo: se trata da conexidade contínua com o Noivo no céu. Jejuar pode ajudar a experimentar mais fortemente a espera por Ele. Não pode servir para repetir um pouco do que Ele fez, seu pagamento pelos pecados.

RCV (traduzido de: Woordenboek voor bijbellezers, Dicionário para leitores da Bíblia)

Fonte: Boletim Conviver nº 1458 (08.03.2015) da Igreja Evangélica Reformada de Carambeí Colônia

Nederlands:

Vasten

Het is bekend dat in delen van de christelijke kerk het vasten in bepaalde perioden verplicht is (geweest). Met name uit de rooms-katholieke traditie kennen wij het gebruik om te vasten op Aswoensdag en Goede Vrijdag, eventueel gedurende de hele veertigdagentijd (of lijdenstijd) en eventueel ook op elke vrijdag. Het spreekt voor zich dat we er nu aandacht aan willen besteden.
Jezus legt zijn houding ten aanzien van het vasten uit in twee korte gelijkenissen (Mat. 9.16, 17). Op een oud kledingstuk zul je geen nieuwe lap naaien, om dat kleed te repareren. Dan zal straks de nieuwe lap krimpen en de scheur in de oude lap nog groter maken. En – vergelijkbaar – jonge wijn doet men niet in oude leren zakken. Dat oude leer is niet soepel genoeg om het gistingsproces op te vangen. Jonge wijn hoort in nieuw zakken van jong leer; dat kan mee uitzetten, als de wijn gaat gisten. Zo blijven de wijn en de zakken behouden.

Jezus zegt hiermee, dat Hij niet als een nieuwe stof gebruikt kan worden om het oude systeem van omgang met God, waarin tal van gewoonten van boetedoening enzovoort voorschrift waren geworden, op te lappen. Jezus is géén nieuwe oplapstofje. Wat Jezus doet is zó nieuw, dat het vraagt om een geheel nieuwe manier van bidden en van leven met God. Christus heeft zich helemaal gegeven voor zijn bruid. Wie beseft wat dat nieuwe betekent en dit toch in de oude vormen wil gieten, zal niets overhouden.

Dat heeft betekenis voor het vasten. Jezus heeft het vasten niet afgeschaft, maar een andere betekenis gegeven. Als de Bruidegom weg is, zal er wel plaats kunnen zijn voor het vasten (Mat. 9.15). Maar blijf dan beseffen, dat het nog steeds gaat om de nieuwe wijn: het gaat om de blijvende verbondenheid met de Bruidegom in de hemel. Vasten kan helpen het uitzien naar Hem sterker te beleven. Het kan niet dienen om wat Hij deed, zijn betaling voor de zonde, een stukje over te doen.

RCV (uit: Woordenboek voor bijbellezers)